Sedert deze week weet ik dat ik vrij gemakkelijk te verbijsteren ben. Het gebeurde 's ochtends in de lift.
Twee moeders stapten in. Allebei met hun oudste kind onder de arm. Net als wij op weg naar school, met half gekamde haren en pindakaas nog op de kin (wij, niet de kinderen). De ochtend spits. Het Tijdstip Der Moeders.
Zij begonnen enthousiast aan een gesprek waarvan ik mij de beginselen niet meer kan ontrafelen maar op een gegeven moment (we wonen op de zevende verdieping, het is een lange reis naar beneden) ving ik ineens een flard van het gesprek op. De ene moeder zei tegen de andere; 'nee, ik vind een kind alleen echt niet kunnen. Die is altijd maar zo eenzaam, leert nooit delen, krijgt bovendien alles. Ik vindt het echt niet kunnen.'
Toen keken ze mij verschrikt aan. Alsof ik ze had verraden. Vervolgens veranderde er iets in hun blik. Het werd defensief en ook wel lichtelijk puberaal. Uitdagend.
Dit flardje gesprek werkte op mij als een rode lap stof op een stier met iets teveel testosterone. Ik voelde de woede in me omhoog komen, langs mijn ruggegraat. De fysieke neiging haar wat te willen doen was zo sterkt als mijn wijlen nicotine behoefte. Echter, ik vermande mij, rechtte mijn rug, keek haar hautain aan, en zei; 'U mag een opinie hebben.'
U mag een opinie hebben?! U MAG een opinie hebben?! Hoe kom je erbij, Nina Louise Adeline Cookson, om je Britse bloed te laten winnen?
Waarom niet de Zuid Afrikaanse bloed, die haar vast en zeker een mep had verkocht?
Waarom niet de Nederlandse, die haar recht voor zijn raap had gezegd dat kanker plus nog een chronische ziekte erbij ook geen lolletje is en dat zij dat maar eens moest proberen, naast het moederschap?
Maar nee. Mijn Britse bloed had gewonnen.
We waren inmiddels dan toch, eindelijk, bij de beneden verdieping beland. De lift deuren gingen tergend en treisterend langzaam open. Dit gaf mevrouw nog de kans ons na te roepen; 'laat er maar gauw een broertje of zusje bij komen. Dat moet, hoor! Dit is niet gezond!'
Ik liep hard door. Maar ik zei niks. 'Smile until your cheeks crack', was onze familie motto. Zoiets blijkt in je DNA te zitten. Ik kon nu echter niet meer glimlachen. Maar ik hield me wel in. Ik hield me verdomd in.
Had ik al gezegd dat de dame in kwestie, met haar duidelijk verwoorde opinies, zo zwart als roet was? Ik twijfel echter sterk of ze het wel zo goed meende. Anders had ze toch wel nagedacht voordat ze haar oordeel uitsprak?
Had zij het, denkt u, leuk gevonden als ik had gezegd dat haar (zichtbare) allochtone status waarschijnlijk de aanleiding was om te fokken als een konijn? Want dat doen ze toch in Afrika? Scheelt een hoop AOW, als je meerdere kinderen hebt die je tandloze mond op latere leeftijd kunnen volproppen met pap en (hopelijk ook) te veel morphine. Ik heb daar tenminste netjes een euthansie verklaring voor.
Maar nee, dat mag men niet zeggen. Dat heet rascisme. Wel mag men een oordeel spuien, waar mijn dochter bij is. Dat ze zielig is. Dat ons familie geen echt familie is. En bovendien nog ongezond ook. Dat we haar iets ontnemen. En dat allemaal zonder te vragen of er wellicht een reden voor is. Gewoon keihard met die opnie komen, op mijn nuchtere maag nog wel (de pindakaas op mijn kin kwam niet van mij, uiteraard).
Nu de woede en pijn gezakt zijn, blijft slechts nog de verbijstering over. Dat mensen zo bot kunnen zijn. Ja, dames en heren van het internet, de wereld is nog steeds in staat om mij te verbijsteren.
Onlangs hoorde ik iets wat mij goed deed. In Australie, land der Aboriginals, kennen ze geen cijfers. Ze kunnen niet tellen. Totaal onbelangrijk voor ze. Ik juich dat toe. Rekenen was nooit mijn beste vak. Mavo drie was mijn dieptepunt. Rapportcijfer: 2. Toen heb ik het maar opgegeven. In een land als Australie zou ik vast en zeker gedijen. Als men daar wordt vraagt hoeveel kinderen ze hebben, kijken ze je niets begrijpend aan. Zij drukken het namelijk zo uit; je hebt ofwel geen kinderen, ofwel eentje, ofwel 'veel'. Meer dan een is altijd 'veel'. Kijk, dat vind ik nou ook! Scheelt een hoop nodeloze nadenk werk.
Het is natuurlijk wel jammer dat ik alleen hier, in alle rust achter een toestenbord gezeten, die tegenstrijdige nationaliteiten in mij weet te roeren tot een kloppend geheel.
Maar komt tijd komt raad. Mijn wereld burgerschap groeit met de dag. Ooit zal ik me kunnen uiten in real time, op geheel eigen wijze. Uniek en hopelijk ook wel ludiek. Maar ondertussen heb ik deze blog.
Ik dank u voor het luisteren.
NB Nu weet ik toevallig dat de dame in kwestie het bij twee kinderen heeft gehouden en er dus geenszins sprake is van een nestje lampreien (zo heten jonge konijnen, weet ik dankzij Googel). Het was slechts ter illustratie van de grove oordelen die men kan hebben in het leven, dat ik haar fok gedrag ter sprake stelde. Overigens, de vruchtbare periode van een konijn heet 'rammeltijd' en een mannelijk konijn 'rammelaar'. Heerlijk. Misschien nog wel beter dan Uccellone.
Wednesday, 10 December 2014
Wednesday, 12 November 2014
Raspberry Foef
Mijn dochter noemt mijn kut een 'Raspberry Foef'. Ze is meertalig.
Het had ook frambozen foef kunnen wezen. Dat was een mooie aliteratie geweest. Maar nee. Sommige woorden blijven nu eenmaal trouw aan een taal. En zo is mijn kut een raspberry geworden en niet een framboos.
Komt door mijn rood haar. Ik ben een echte rooie, zoals dat heet. De chemo heeft mijn hoofdhaar wel wat blonder gemaakt, helaas, maar gelukkig ben ik daar beneden nog altijd rood. Daar heeft de chemo niets aan getast.
Goed, dat verklaart de framboos. Vroeger had ik helemaal geen haar, dus dan was ik vast de 'naakte slak' geweest, haar kennende. Als ik de Nescio brug opfiets, met haar achterop en daar zichtbaar moeite mee heb dan ben ik immers ook al de 'zweet ezel'. Creatief is ze wel, maar niet altijd complimenteus.
Maar goed. De foef. Hoe komen we daaraan?
Wel nu. Als je net als ik van je tiende tot je achtiende in Zeeuws Vlaanderen opgroeit (waarna je heel hard, gillend weg rent richting London) dan krijg je vanzelf een aardig potje Vlaams mee. Een daarvan is het prachtig woordje 'foef'. Ik word erg blij van zo'n woord. Dat klinkt lief en schattig. En dat is het toch ook?
Kut klinkt dan weer zo rauw Hollands.
Je verwacht haast tanden aan te treffen in een kut. Of op z'n minst oude stink kaas. Old Amsterdamse Kut.
Foef daarentegen is warm en snoezig, als een wit broodje vers van de Belgische bakker. Je wilt erin gaan liggen.
Toen mijn dochter twee werd en haar wereld begon te benoemen kwam ik dus linguistich in de knel.
Alle woorden die mij ter beschikking stonden in het Nederlands en Engels waren in slechts twee categorien te verdelen.
Aan de ene kant heb je woorden als 'çrotch' en 'kruis' die waarschijnlijk heel verantwoord zijn maar mij toch te androgyn overkomen. Zo droog en saai. Je kunt net zo goed meteen bij de nonnen gaan wonen als dat je referentie kader is.
Vervolgens heb je woorden als 'cunt' en 'kut' die wat mij betreft dan weer net dat tikje te ver gaan. Zie boven.
Pussy had ik leuk gevonden maar ik kreeg me daar toch rare reacties op. Men vond het eerst hilarisch en toen ze door hadden dat ik het serieus meende, toen kwam de beroemde Nederlandse aap uit de mouw. Het was te porno. Dus ja. Dat ging ook al niet door.
Dan blijft er vrij weinig over, zoals blijkt.
Jongens hebben geluk. Niet alleen bezitten ze zo'n leuke tool waar je van alles mee kunt doen, ze hebben er ook nog een mooie woord voor. Piemel. Een woord waar je je niet voor hoeft te schamen, als jongen. Als man is dat wellicht wat anders, maar dan zijn er weer legio andere mogelijkheden, waarvan 'grote vogel' in het Italiaans mij nog steeds het meest verbijsterd. Zingt hij dan als hij gelukkig is? Of nestelt hij zich graag in een nestje haar? Waar het door komt, de Ucellone, geen idee. Grappig is het wel.
Terug naar de foef. Geen schaamte. Dat wou ik haar meegeven, met betrekking tot haar foef.
Ik geloof dat ik hierin geslaagd ben. Te pas en on te pas omhelst ze vol liefde en overgave mijn schoot (ze is vier, dus het past nog perfect) en zucht 'mama, wat heb je toch een mooie raspberry foef'.
Daar word ik erg gelukkig van. Ik hoop dat ze nog lang mag genieten van haar eigen foef. Lang leve de raspberry!
Het had ook frambozen foef kunnen wezen. Dat was een mooie aliteratie geweest. Maar nee. Sommige woorden blijven nu eenmaal trouw aan een taal. En zo is mijn kut een raspberry geworden en niet een framboos.
Komt door mijn rood haar. Ik ben een echte rooie, zoals dat heet. De chemo heeft mijn hoofdhaar wel wat blonder gemaakt, helaas, maar gelukkig ben ik daar beneden nog altijd rood. Daar heeft de chemo niets aan getast.
Goed, dat verklaart de framboos. Vroeger had ik helemaal geen haar, dus dan was ik vast de 'naakte slak' geweest, haar kennende. Als ik de Nescio brug opfiets, met haar achterop en daar zichtbaar moeite mee heb dan ben ik immers ook al de 'zweet ezel'. Creatief is ze wel, maar niet altijd complimenteus.
Maar goed. De foef. Hoe komen we daaraan?
Wel nu. Als je net als ik van je tiende tot je achtiende in Zeeuws Vlaanderen opgroeit (waarna je heel hard, gillend weg rent richting London) dan krijg je vanzelf een aardig potje Vlaams mee. Een daarvan is het prachtig woordje 'foef'. Ik word erg blij van zo'n woord. Dat klinkt lief en schattig. En dat is het toch ook?
Kut klinkt dan weer zo rauw Hollands.
Je verwacht haast tanden aan te treffen in een kut. Of op z'n minst oude stink kaas. Old Amsterdamse Kut.
Foef daarentegen is warm en snoezig, als een wit broodje vers van de Belgische bakker. Je wilt erin gaan liggen.
Toen mijn dochter twee werd en haar wereld begon te benoemen kwam ik dus linguistich in de knel.
Alle woorden die mij ter beschikking stonden in het Nederlands en Engels waren in slechts twee categorien te verdelen.
Aan de ene kant heb je woorden als 'çrotch' en 'kruis' die waarschijnlijk heel verantwoord zijn maar mij toch te androgyn overkomen. Zo droog en saai. Je kunt net zo goed meteen bij de nonnen gaan wonen als dat je referentie kader is.
Vervolgens heb je woorden als 'cunt' en 'kut' die wat mij betreft dan weer net dat tikje te ver gaan. Zie boven.
Pussy had ik leuk gevonden maar ik kreeg me daar toch rare reacties op. Men vond het eerst hilarisch en toen ze door hadden dat ik het serieus meende, toen kwam de beroemde Nederlandse aap uit de mouw. Het was te porno. Dus ja. Dat ging ook al niet door.
Dan blijft er vrij weinig over, zoals blijkt.
Jongens hebben geluk. Niet alleen bezitten ze zo'n leuke tool waar je van alles mee kunt doen, ze hebben er ook nog een mooie woord voor. Piemel. Een woord waar je je niet voor hoeft te schamen, als jongen. Als man is dat wellicht wat anders, maar dan zijn er weer legio andere mogelijkheden, waarvan 'grote vogel' in het Italiaans mij nog steeds het meest verbijsterd. Zingt hij dan als hij gelukkig is? Of nestelt hij zich graag in een nestje haar? Waar het door komt, de Ucellone, geen idee. Grappig is het wel.
Terug naar de foef. Geen schaamte. Dat wou ik haar meegeven, met betrekking tot haar foef.
Ik geloof dat ik hierin geslaagd ben. Te pas en on te pas omhelst ze vol liefde en overgave mijn schoot (ze is vier, dus het past nog perfect) en zucht 'mama, wat heb je toch een mooie raspberry foef'.
Daar word ik erg gelukkig van. Ik hoop dat ze nog lang mag genieten van haar eigen foef. Lang leve de raspberry!
Subscribe to:
Posts (Atom)