Wednesday, 10 December 2014

Het Tijdstip Der Moeders

Sedert deze week weet ik dat ik vrij gemakkelijk te verbijsteren ben. Het gebeurde 's ochtends in de lift.
Twee moeders stapten in. Allebei met hun oudste kind onder de arm. Net als wij op weg naar school, met half gekamde haren en pindakaas nog op de kin (wij, niet de kinderen). De ochtend spits. Het Tijdstip Der Moeders.
Zij begonnen enthousiast aan een gesprek waarvan ik mij de beginselen niet meer kan ontrafelen maar op een gegeven moment (we wonen op de zevende verdieping, het is een lange reis naar beneden) ving ik ineens een flard van het gesprek op. De ene moeder zei tegen de andere; 'nee, ik vind een kind alleen echt niet kunnen. Die is altijd maar zo eenzaam, leert nooit delen, krijgt bovendien alles. Ik vindt het echt niet kunnen.'
Toen keken ze mij verschrikt aan. Alsof ik ze had verraden. Vervolgens veranderde er iets in hun blik. Het werd defensief en ook wel lichtelijk puberaal. Uitdagend.
Dit flardje gesprek werkte op mij als een rode lap stof op een stier met iets teveel testosterone. Ik voelde de woede in me omhoog komen, langs mijn ruggegraat. De fysieke neiging haar wat te willen doen was zo sterkt als mijn wijlen nicotine behoefte. Echter, ik vermande mij, rechtte mijn rug, keek haar hautain aan, en zei; 'U mag een opinie hebben.'
U mag een opinie hebben?! U MAG een opinie hebben?! Hoe kom je erbij, Nina Louise Adeline Cookson, om je Britse bloed te laten winnen?
Waarom niet de Zuid Afrikaanse bloed, die haar vast en zeker een mep had verkocht?
Waarom niet de Nederlandse, die haar recht voor zijn raap had gezegd dat kanker plus nog een chronische ziekte erbij ook geen lolletje is en dat zij dat maar eens moest proberen, naast het moederschap?
Maar nee. Mijn Britse bloed had gewonnen.
We waren inmiddels dan toch, eindelijk, bij de beneden verdieping beland. De lift deuren gingen tergend en treisterend langzaam open. Dit gaf mevrouw nog de kans ons na te roepen; 'laat er maar gauw een broertje of zusje bij komen. Dat moet, hoor! Dit is niet gezond!'
Ik liep hard door. Maar ik zei niks. 'Smile until your cheeks crack', was onze familie motto. Zoiets blijkt in je DNA te zitten. Ik kon nu echter niet meer glimlachen. Maar ik hield me wel in. Ik hield me verdomd in.
Had ik al gezegd dat de dame in kwestie, met haar duidelijk verwoorde opinies, zo zwart als roet was? Ik twijfel echter sterk of ze het wel zo goed meende. Anders had ze toch wel nagedacht voordat ze haar oordeel uitsprak?
Had zij het, denkt u, leuk gevonden als ik had gezegd dat haar (zichtbare) allochtone status waarschijnlijk de aanleiding was om te fokken als een konijn? Want dat doen ze toch in Afrika? Scheelt een hoop AOW, als je meerdere kinderen hebt die je tandloze mond op latere leeftijd kunnen volproppen met pap en (hopelijk ook) te veel morphine. Ik heb daar tenminste netjes een euthansie verklaring voor.
Maar nee, dat mag men niet zeggen. Dat heet rascisme. Wel mag men een oordeel spuien, waar mijn dochter bij is. Dat ze zielig is. Dat ons familie geen echt familie is. En bovendien nog ongezond ook. Dat we haar iets ontnemen. En dat allemaal zonder te vragen of er wellicht een reden voor is. Gewoon keihard met die opnie komen, op mijn nuchtere maag nog wel (de pindakaas op mijn kin kwam niet van mij, uiteraard).
Nu de woede en pijn gezakt zijn, blijft slechts nog de verbijstering over. Dat mensen zo bot kunnen zijn. Ja, dames en heren van het internet, de wereld is nog steeds in staat om mij te verbijsteren.
Onlangs hoorde ik iets wat mij goed deed. In Australie, land der Aboriginals, kennen ze geen cijfers. Ze kunnen niet tellen. Totaal onbelangrijk voor ze. Ik juich dat toe. Rekenen was nooit mijn beste vak. Mavo drie was mijn dieptepunt. Rapportcijfer: 2. Toen heb ik het maar opgegeven. In een land als Australie zou ik vast en zeker gedijen. Als men daar wordt vraagt hoeveel kinderen ze hebben, kijken ze je niets begrijpend aan. Zij drukken het namelijk zo uit; je hebt ofwel geen kinderen, ofwel eentje, ofwel 'veel'. Meer dan een is altijd 'veel'. Kijk, dat vind ik nou ook! Scheelt een hoop nodeloze nadenk werk.
Het is natuurlijk wel jammer dat ik alleen hier, in alle rust achter een toestenbord gezeten, die tegenstrijdige nationaliteiten in mij weet te roeren tot een kloppend geheel.
Maar komt tijd komt raad. Mijn wereld burgerschap groeit met de dag. Ooit zal ik me kunnen uiten in real time, op geheel eigen wijze. Uniek en hopelijk ook wel ludiek. Maar ondertussen heb ik deze blog.
Ik dank u voor het luisteren.
NB Nu weet ik toevallig dat de dame in kwestie het bij twee kinderen heeft gehouden en er dus geenszins sprake is van een nestje lampreien (zo heten jonge konijnen, weet ik dankzij Googel). Het was slechts ter illustratie van de grove oordelen die men kan hebben in het leven, dat ik haar fok gedrag ter sprake stelde. Overigens, de vruchtbare periode van een konijn heet 'rammeltijd' en een mannelijk konijn 'rammelaar'. Heerlijk. Misschien nog wel beter dan Uccellone.

Wednesday, 12 November 2014

Raspberry Foef

Mijn dochter noemt mijn kut een 'Raspberry Foef'. Ze is meertalig.
Het had ook frambozen foef kunnen wezen. Dat was een mooie aliteratie geweest. Maar nee. Sommige woorden blijven nu eenmaal trouw aan een taal. En zo is mijn kut een raspberry geworden en niet een framboos.
Komt door mijn rood haar. Ik ben een echte rooie, zoals dat heet. De chemo heeft mijn hoofdhaar wel wat blonder gemaakt, helaas, maar gelukkig ben ik daar beneden nog altijd rood. Daar heeft de chemo niets aan getast.
Goed, dat verklaart de framboos. Vroeger had ik helemaal geen haar, dus dan was ik vast de 'naakte slak' geweest, haar kennende. Als ik de Nescio brug opfiets, met haar achterop en daar zichtbaar moeite mee heb dan ben ik immers ook al de 'zweet ezel'. Creatief is ze wel, maar niet altijd complimenteus.
Maar goed. De foef. Hoe komen we daaraan?
Wel nu. Als je net als ik van je tiende tot je achtiende in Zeeuws Vlaanderen opgroeit (waarna je heel hard, gillend weg rent richting London) dan krijg je vanzelf een aardig potje Vlaams mee. Een daarvan is het prachtig woordje 'foef'. Ik word erg blij van zo'n woord. Dat klinkt lief en schattig. En dat is het toch ook?
Kut klinkt dan weer zo rauw Hollands.
Je verwacht haast tanden aan te treffen in een kut. Of op z'n minst oude stink kaas. Old Amsterdamse Kut.
Foef daarentegen is warm en snoezig, als een wit broodje vers van de Belgische bakker. Je wilt erin gaan liggen.
Toen mijn dochter twee werd en haar wereld begon te benoemen kwam ik dus linguistich in de knel.
Alle woorden die mij ter beschikking stonden in het Nederlands en Engels waren in slechts twee categorien te verdelen.
Aan de ene kant heb je woorden als 'çrotch' en 'kruis' die waarschijnlijk heel verantwoord zijn maar mij toch te androgyn overkomen. Zo droog en saai. Je kunt net zo goed meteen bij de nonnen gaan wonen als dat je referentie kader is.
Vervolgens heb je woorden als 'cunt' en 'kut' die wat mij betreft dan weer net dat tikje te ver gaan. Zie boven.
Pussy had ik leuk gevonden maar ik kreeg me daar toch rare reacties op. Men vond het eerst hilarisch en toen ze door hadden dat ik het serieus meende, toen kwam de beroemde Nederlandse aap uit de mouw. Het was te porno. Dus ja. Dat ging ook al niet door.
Dan blijft er vrij weinig over, zoals blijkt.
Jongens hebben geluk. Niet alleen bezitten ze zo'n leuke tool waar je van alles mee kunt doen, ze hebben er ook nog een mooie woord voor. Piemel. Een woord waar je je niet voor hoeft te schamen, als jongen. Als man is dat wellicht wat anders, maar dan zijn er weer legio andere mogelijkheden, waarvan 'grote vogel' in het Italiaans mij nog steeds het meest verbijsterd. Zingt hij dan als hij gelukkig is? Of nestelt hij zich graag in een nestje haar? Waar het door komt, de Ucellone, geen idee. Grappig is het wel.
Terug naar de foef. Geen schaamte. Dat wou ik haar meegeven, met betrekking tot haar foef.
Ik geloof dat ik hierin geslaagd ben. Te pas en on te pas omhelst ze vol liefde en overgave mijn schoot (ze is vier, dus het past nog perfect) en zucht 'mama, wat heb je toch een mooie raspberry foef'.
Daar word ik erg gelukkig van. Ik hoop dat ze nog lang mag genieten van haar eigen foef. Lang leve de raspberry!


Friday, 7 December 2012

Ode aan de Bijnieren

Af en toe overvalt mij een vraag. Hij luidt; ben ik mijn pil? Ben ik niets meer dan mijn hormonen? Die hormomen die mij in leven houden?
Als een lift door een appartementen complex loodsen deze pilletjes mij heen en weer tussen de verschillende facetten van mijn immer fascinerende persoonlijkheid.
Soms is de lift buiten werking. Dit overkomt de besten. Dan heb ik een Addison' Crises en lig ik in het ziekenhuis aan de infuus.Even bijkomen heet dat.

Maar ondertussen kan ik, dankzij de vervangende cortisol pilletjes, die nu eens teveel aanwezig zijn in mijn bloed en dan weer eens te weinig al naar gelang de aanwezige stress niveau's, ziekte's etc etc (alles is een moment opname, niks is definitief) mezelf prima vermaken door steeds weer een ander mens te zijn.

Soms zit ik in de kelder, daar waar het donker en muf is. Er zijn geen ramen, er is nauwelijks licht en verwarming zou echt teveel gevraagd zijn. Het is er vochtig en krampachtig klein. Maar het is er veilig. Mocht er ooit een bomaanslag IJburg treisteren dan ben ik veilig. Wie weet zou ik er zelfs het einde van de wereld overleven, net als de kakkerlakken. Als alles is uitgestorven, dan leeft de kakkerlak nog steeds. En ik ook. Wanneer men zich uit gebrek aan energie inhoudt en met niemand contact wenst te maken, maar slechts nog het hoognodige doet op auto piloot, dan is men zeer verstandig bezig. Dat heet overleven. En soms moet dat gewoon. Er zit niets anders op. Als de energie op is, dan is hij op. Een extra pilletje helpt dan niet. Het enige wat werkt is rust.

Er breken echter ook goede tijden aan. Dan vliegt de lift helemaal door tot aan de penthouse. Daar is het ruim en licht. De verwarming doet het en het is er chique vertoeven. Iemand met overduidelijk verfijnde smaak heeft de boel weten in te richten. De ramen zijn gelapt en het uitzicht lonkt. IJsselmeer was nog nooit zo schoon. Wanneer je je hier bevindt wens je al je vrienden om je heen, om samen te kunnen genieten van al het moois. Je wilt een feestje organiseren. Je wilt dansen tot je erbij neervalt. Je bent de begeerlijkste vrouw ter wereld. Dit is het andere uiterste. Het heet; iets teveel cortisol geslikt. Maar ach. Soit. Laat ik er dan nu maar van genieten. Carpe Diem. Pluk de Dag. Pluk een Pilletje.

Uiteraard heb je andere ruimtes. De dagelijkse appartementen waar gekookt, gewassen en geslapen wordt. Soms gaat alles ook gewoon goed.
Dit zijn de mooiste appartementen. Het is er rustig, de huisplanten bloeien, de kat snurkt en het ruikt er altijd naar zelf gebakken iets. Een muziekje speelt op de laptop terwijl er een klein meisje stilletjes op de vloer met haar Lego speelt. Af en toe spreekt ze een mannetje streng toe. 
Dan ben ik moeder en vrouw.

 Ik ben dit alles. Alleen niet allemaal tegelijk. Een mens kan, net als een lift, ook maar op een plek tegelijk zijn. Ik heb nog genoeg te ondekken in dit appartement van mij. Hopelijk kunnen die bijnieren mij ook wel eens wat anders laten zien. Een bergbeklimmer bijvoorbeeld. Een ouderwetse avonturier, compleet met lange rok en corset.
Of een yoga meesteres. Dat lijkt me wel wat. Een fitte marathon loopster is ook niet verkeerd, maar dan met behoud van de boezoem die ik heb...

Uiteindelijk zijn er legio mogelijkheden in dit leven. En dat allemaal dankzij een pilletje.

Thursday, 29 November 2012

In Memoriam

Lieve Maayke,

Om je begravenis te vieren heb ik vandaag de ramen gewassen. Het was een mooie, zonovergoten dag. Zoiets, daar moet je gebruik van maken. En wat is er beter dan op zo'n dag een schoon uitzicht hebben?

Ik moest iets symbolisch, iets reinigends te doen hebben. Iets wat ik niet vaak doe. Het moest bovenal gedenkwaardig zijn, vond ik. En dus werd het de ramen lappen. Ter ere van jou. Ik hoop niet dat je het erg vindt. Ik heb er in elk geval van genoten en daar gaat het toch om? Genieten van de kleine dingen. Nu het nog kan. Dat zeggen ze. Wel nu, ik zal je wat verklappen, lieve schat. Wanneer genieten een must wordt is er geen lol meer aan. Carpe Diem als gebod werkt niet zo goed, bij mij. Ik word er recalcitrant van. Dat is mijn aard, hoe teleurstellend ook. Maar acceptatie van het onvermijdelijke, daar gaat het om. En dus ook van mijn aard.

Ik zit vol met cliche's. Daarin schuilen waarheden.

Terug naar die ramen, want daar waren we. Ik ging de ramen wassen om jou dood te vieren. Jouw bevrijding. Toch een beetje feest, vindt je niet? Het nam mij hoe dan ook in beslag. Ik vond het zowaar leuk. Jij moest dood gaan voordat ik de lol kon ontdekken van rammen wassen. Dat is triest. Het is maar goed dat wij zeven hoog wonen en dus geen voordeur met eigen stoep hebben anders was ik nog in staat geweest om de stoep te poetsen. Het moet niet gekker worden. Jij dood en ik een heuse huisvrouw. Kan de kloof tussen ons nog groter worden?

Ik heb nog even gedacht om me er helemaal op te storten, dit huisvrouwenleven. Niets anders dan schoonmaken, genieten van die befaamde kleine momenten van huiselijk geluk waarin de koffie klaar staat en het aanrecht schittert. Dat zijn ook mooie momenten, geef ik tot mijn eigen verbazing toe. Nooit gedacht dat ik hierin mijn rust zou kunnen vinden. Maar - en dit is belangrijk - dit kan en mag niet het enige zijn.

Ik moet oppassen niet zoals mijn Granny te worden, die last had van smetvrees en drie keer per dag in bad moest. De eerste keer om dagelijks vuil af te spoelen, de tweede maal om te wassen met zeep en shampoo en de derde keer om alles weer af te spoelen. Ze had natuurlijk verder niks om handen met alle bediening in Zuid Afrika, maar toch. Ik moet ervoor waken geen slapende genen te wekken.

Wist je dat er belachelijk veel spinnen wonen op IJburg? Ik kwam er pas achter toen ik wilde beginnen. Heet water met biologisch azijn in een teil gedaan - het moet allemaal biologisch tegenwoordig, je ontkomt er niet aan - zeem fier rechtop gezet, klaar voor de start. Mezelf mentaal en fysiek voorbereid op de komende arbeid. Moest ik eerst de verdomde stofzuiger pakken om die beesten weg te zuigen. Diepe zuchten van mijn kant. Je weet, ik doe alles graag snel snel snel. Helaas ging dat in deze niet en dus hing ik even later ondersteboven uit de raam, hopend dat het gewicht van de stofzuiger mij niet zeven verdiepingen omlaag zou doen storten. Gelukkig gebeurde dat niet. Ik heb geen hoogtevrees maar het leek me zo'n onsmakelijk, rommelig einde. Zo wil je toch niet herinnerd worden? Als een dood stuk kapot geslagen vlees op het trottoir?

Jij hebt tenminste nog netjes een spuit gehad. Je had tijd om je tanden te poetsen, schoon ondergoed aan te trekken en afscheid te nemen terwijl je er nog, relatief, goed uit zag. Kijk, dat is dan weer het voordeel van kanker hebben. Je hebt een afspraak met de dood. Als het een beetje meezit kan je afscheid nemen op jou manier.

In mijn geval heb ik meerdere valse starts gehad. Iedere keer denk ik weer 'mijn tijd is op' en toch krijg ik weer een tweede, derde, vierde kans. Ik heb kennelijk iets waar te maken. Of iets goeds te maken? Ik kom er maar niet uit.

Mijn neiging tot perfectionisme wordt wel op de proef gesteld zo. Ik probeer haar steeds maar weer ergens achter te laten, achter een boom, een vergeten hoek van de straat. Maar iedere keer vindt ze mij weer en kleeft zich des te harder aan mij vast. Ik leef nog, dus moet ik het goed doen! Voor jou en alle andere dode kameraden die dit niet meer mogen meemaken. Dankbaarheid is soms ook een last. En hier, bij jouw dood, hier begint de kloof tussen ons. Jij volgt de statistieken voor deze kanker tot in de kleine lettertjes en ik ben een uitzondering van levensvatbaarheid. Ik ga maar door. Weer die kakkerlak motief. Ik word er soms zelf moe van.

Terug naar de spinnen... Sommige spinnen waren zo dik als een baby vuist. Ze maakten ploppende geluiden terwijl ze werden opgezogen. Het was enorm bevredigend werk. Ik genoot van mijn eigen kracht. Ik was op de top van mijn kunnen, zou je kunnen zeggen. Jammer dat alleen de kat erbij was. Een slapend kind telt niet mee. Een hele moment liet ik mezelf ontspannen, tevreden met mijn prestatie.
Tot ik besefte dat ze natuurlijk allemaal binnen no time weer aan de ramen zullen kleven. En het was gedaan met mijn huiselijke trots. Identieke spinnen zullen hier over een aantal weken hangen, zichzelf vetmestend ten koste van mijn uitzicht. Ik kreeg er zowaar een pruillip van. Vervelende zwarte spinnen die het leuk vinden om mij weer aan het werk te zetten, ik zag ze al voor me. Zo is de natuur. Zo is het huishouden. En zo ook het leven met (chronische) kanker.
Het komt iedere keer weer terug.

Maar ondertussen heb ik nu wel een mooi uitzicht, de koffie staat klaar en het aanrecht schittert. Het kan slechter. Het kan altijd slechter...